PNEI en Orthomoleculaire Geneeskunde

Psycho Neuro Endocrino Immunologie

Psycho-Neuro-Endocrino-Immunologie (PNEI) bestudeert de communicatie tussen en binnen het centrale zenuwstelsel, het endocriene systeem (hormoonstelsel) en het immuunsysteem. Bij PNEI kijken we of het brein de juiste brandstof krijgt. Hiervoor gebruiken we een special gemaakte digitale test ontwikkeld door de neurowetenschapper Dr. Braverman en aldus genaamd de “bravermantest”. Deze test geeft een inzicht in de werking van uw neurotransmitters. Neurotransmitters zijn communicatiestofjes die van essentieel belang zijn voor het samenwerken van de verschillende systemen in ons lichaam. Deze neurotransmitters hebben een belangrijk effect op de lichamelijke- en mentale fitheid, slaappatroon, immuunsysteem, geheugen, hormoonproductie, concentratie en focus.

De juiste voeding en aanvullingen waar nodig, de juiste beweging en mentaal evenwicht zorgen voor de juiste brandstof om deze stofjes aan te maken door je eigen brein en lichaam (darmen). De PNEI opgeleide arts of therapeut zorgt ervoor dat vanuit alle facetten de juiste brandstof weer aanwezig wordt, zodat het lichaam de neurotransmitters zelf weer aanmaakt en kan herstellen waar nodig is.

Orthomoleculaire geneeskunde

De term ‘orthomoleculair’ werd voor het eerst gebruikt in 1968, door professor Linus Pauling. Orthos komt uit het Grieks en betekent: juist, recht of gezond, en moleculair staat voor: de moleculen betreffende. In de orthomoleculaire geneeskunde streeft men er dus naar het lichaam stoffen aan te bieden die het optimaal kan gebruiken en verwerken om gezondheid te behouden of te herstellen.

De geneeskrachtige werking van voeding werd door Hippocrates al geroemd. Maimonides hanteerde de stelling dat:

Geen enkele ziekte die door dieet kan worden genezen, met andere middelen dient te worden behandeld.

De invloed van voeding raakte de afgelopen eeuwen op de achtergrond doordat er schijnbaar effectievere behandelmethoden werden ontwikkeld. Denk hierbij aan de ontwikkeling van de chirurgie, antibiotica als krachtig middel tegen infectieziekten, verschillende vormen van medicatie, radiotherapie en chemotherapie. Deze therapieën boekten snelle resultaten waarbij de essentiële rol van voeding als ondergeschikt werd ervaren.

In de loop van de twintigste eeuw werd het steeds duidelijker dat er ziektebeelden voorkwamen die met één enkele stof konden genezen. De bekendste voorbeelden zijn die van scheurbuik, wat voorkomen werd door gebruik van vitamine-C, en Engelse ziekte of rachitis, waar vitamine-D een sleutelrol vervult. We hebben het hier over ziekten ontstaan door gebrek, die te voorkomen zijn door een minimale dosis van een bepaalde voedingsstof in te nemen, maar wat nu als we gaan kijken naar álle functies die zo’n stof heeft, wat zou dan de optimale dosis zijn om gezonder in plaats van “niet ziek” te worden? Dan wordt het steeds duidelijker dat voeding meer invloed heeft dan alleen het voorkomen van deze typische gebrekziekten.

Uit een groeiend aantal naoorlogse wetenschappelijke onderzoeken blijkt dat er wel degelijk een niet te verwaarlozen relatie bestaat tussen voeding en ziekten. Zo is inmiddels wel aangetoond dat slechte voedingsgewoonten een rol spelen bij het ontstaan van bijvoorbeeld obesitas, kanker, hart- en vaat ziekten en ouderdomsdiabetes.